Subscribe to RSS Feed

De Nimfenprinses

Hans Plomp’s Dutch translation of Eddie Woods’ The Faerie Princess

Eens in komende tijden,
Voor slangen zijn gezien,
Leefde een nimfenprinses,
Je droomt haar ooit misschien.

Met lange blonde haren
En ogen helder blauw,
Met lippen vol en teder
En borsten fris als dauw

Dartelde ze door ‘t bosland
Twaalf maanden van het jaar
En alle geile satyrs
Zongen de lof van haar.

“O heerlijk sappig meisje’
Kweelden ze met elkaar,
‘Uw schoonheid blijft ons boeien,
Steeds staan wij voor je klaar.

Je bent de een’ge vrouw hier
in ons zoet geurend land.
Zonder jouw heerlijk lichaam
Rest ons slechts eigen hand.’

‘Wees maar niet bang mijn lieverds,’
Sprak zij geheel verrukt,
‘Jullie mogen mij neuken,
Zo vaak het jullie lukt.

Mijn lichaam wordt nooit ouder,
Ik heb de eeuwigheid;
Omdat ik jullie liefheb,
Is ‘t geen perversiteit.

Al neuk ik duizend satyrs,
Toch blijf ik jong en fris.
Ik word alleen maar mooier,
Hoe groot hun lul ook is.’

Zo hield ze hen gelukkig
Op velerlei manier
Met mond en kut en billen
Schonk z’eindeloos plezier.

Ze zogen aan haar kutje
En speelden met haar kont.
De een volgde de ander,
Wat ze heel prettig vond.

Maar op een gure herftsdag
— De wolken hingen laag —
Klonk in de wind een geeststem:
‘Vertrek, liefst nog vandaag!

De boze Mens zal komen
Die het Verstand aanbidt
Blijf niet,’ zeiden de geesten,
‘Want anders krijg je shit.

In ‘t web van hun gedachten,
Een vloek, best onbekend,
Gaan zij je ziel verkrachten
Tot je hun voetveeg bent.

Ze koest’ren niet je lichaam
Zoals een satyr doet,
Maar laten je hard werken
En nooit doe je iets goed.

Ze neuken ook heel anders
Dan alles wat jij kent.
Ze zijn gemeen en vunzig,
Terwijl jij lieflijk bent.

Ze zweren bij de hersens,
Sex is er voor één doel:
Om kerk en staat te steunen
Met mens’lijk gekrioel.’

‘Hebben ze dan geen wijzen,’
Vroeg zij geïnteresseerd.
‘Die weten dat de Aarde
De Hemel reflekteert?’

‘Een paar kan je er vinden,’
Zeiden de geesten haar,
‘Hun hart is vol verlangen,
Een strak gespannen snaar.

Zij houden van de Aarde,
Verlangen naar de Bron.
Ooit zollen zij je vinden
Ergens onder de Zon,

Ja, ver voorbij de grenzen
Van wat verstand verstaat,
Waar niet meer de gedachte,
Maar ècht gevoel bestaat.

Maar velen zijn te gretig
Voor ‘t paradijs Natuur,
Ze maken er een hel van,
Een levend vagevuur.’

De satyrs waren treurig,
Maar groetten haar in koor,
Want nu de mens ging komen,
Moest zij er echt vandoor.

‘Wij kunnen nu niet meegaan,’
Zo riepen ze vol spijt.
‘De mens zullen wij kwellen
Met zorgen, smart en nijd.

Maar in je nieuwe wereld
Plant daar het liefdeszaad,
Dan komen wij je wensen
Vervullen vroeg of laat.

Dan laten wij ‘t hier over
Aan dienaars van het Brein,
Die wijsheid van de Ouden
Totaal vergeten zijn.

Ze noemen lusten zondig
De Rede is de top
En doordat zij zo denken
Lijkt het daar steeds meer op.

Vaarwel prinses zo heerlijk
Wij wensen u geluk.
Zonder uw zalig kutje
Gaan onze harten stuk.’

‘Ga lekker sámen stoeien,’
Gaf zij hun toen als raad,
‘En leer zó dat de liefde
Naar vele kanten gaat.

Als pik zuigen zo fijn is
Voor meisjes zoals ik,
Dan is zo’n lul voor jullie
Vast ook een geile kick.

Dus neem je broeders penis
In je gulzige mond,
Die zo vaak zoet begeren
Tussen mijn benen vond.

Voorwaar mijn sterke satyrs,
Wij zien elkander weer,
Nu moet ik echt vertrekken
Naar ‘t land Nog-Niet-Wanneer.’

Ze vloog in zijden schaduw
Langs velden als een droom
Naar streken van Verbeelding
Op een geilwitte stroom.

Haar schip bestond uit bloemen
De wind stond aan het roer,
Terwijl zij zich ontspande
En God als lust ervoer.

Want God, wist zij, is kosmisch,
Groot Minnaar bovendien,
Die ‘t Eeuwig Vrouwelijke
Met Hem vereend wil zien.

Het leven één Orgasme,
Vol neuken en genot
En wie dit diep kon voelen,
Was altijd dicht bij God.

Er is slechts Overgave
Aan vrije Levenskracht,
Aan de lokroep der lusten
Die de Natuur ons bracht.

Ze zei toen vol verwond’ring
Een schietgebed dat vloog
Door ‘t off’ren van haar lichaam
Aan geesten van omhoog.

Haar tepels en haar kutje
Streelden haar vingers zwoel
En zij dreef masturberend
Heel langzaam naar haar doel.

De dag was warm en broeiend
De zon straalde vol Lust.
Toen spreidde ze haar dijen
En werd door God gekust.

De hete zonnestralen
Stoeiden over haar heen.
Ze voelde dat ze klaarkwam
En smolt van top tot teen.

De oeverbossen lachten
De bomen ruisten luid,
Vissen dansten met mussen,
Natuur leefde zich uit.

Toen eindelijk de nacht viel
Vol schijnsel van de maan,
Riep een veilige haven:
‘Leg hier uw vaartuig aan.’

‘Kom, lieve Nimfenprinses,’
Zo riep men van de wal,
‘De koningin wacht op u
Met een groot festival.’

En kleine, naakte vrouwen,
Elk van het nimfenras,
Voerden haar diep het woud in
Een vreemd, nieuw struikgewas.

De bomen vol met snoepgoed,
Hun takken nat van wijn
En kleine snelle eekhoorns
Snoepend van marsepein.

Ze kwamen bij een grasveld
Waar liggend op haar bed
De koningin bezwijmde.
Kreunend van minnepret.

Rondom haar wulpse naaktheid
Zwermden ook elven bloot,
Zij werd totaal betoverd
Door wat men hier ontsloot.

Eén elf streelde haar borsten,
Zo stevig en zo rond,
Eén elf likte haar kutje,
Weer anderen haar kont.

De koningin gaf weerwerk
Met kusjes heet en zacht
En alle zoete kutjes
Schonk zij haar liefdeskracht.

Kijkend naar deze orgie
Kreeg de prinses een kick
En ging zich masturberen,
Op ‘t zelfde ogenblik.

Een warm en harig wezen,
Een krolse kat was het,
Sloop heel zachtjes het bos uit
Hopend op wulpse pret

Met al die sexy elven
— Die deden dat heel graag.
Toen kwamen vele dieren
Uit schuilplaats, hol en haag

Om met een nimf te stoeien
Op velerlei manier,
Zelfs vogels kwamen meedoen
En vreeën vol plezier.

Ze stoeiden tot zonsopgang
Het klonk door ‘t hele bos.
De bomen grijnsden heidens,
De remmen gingen los.

De ochtend kwam vol loomheid
De koningin zocht rust.
Zo ook de nimfenprinses,
Nog duizelig van lust.

‘Kom nu maar bij mij liggen,’
Sprak de vorstin toen zacht,
‘Dan doen we als de satyrs,
Wat jij voor hen bedacht.

Het wemelt van de wijfjes
die, zonder zo’n geil beest,
Vol van hun lijf genieten
Op een groots Sapphisch feest.

Want pas als elke satyr
Respect voelt en plezier
Voor mannelijke schoonheid,
Komen de satyrs hier.

We bonwen met z’n allen,
Vol geile energie
Een androgyne wereld
Met seksuanarchie!’

Later kwamen de satyrs
Ook naar dit zalig land,
‘Kijk daar,’ riepen de elven,
‘Ze komen naar de kant!’

Hoor de gehoornden brullen
Bij ‘t naderen der kust:
‘Hier zijn uw stijve lullen,
Wij neuken u vol lust!’

En tot in onze dagen
Heerst louter liefde daar,
En niemand vindt het zondig,
Al kom je daag’lijks klaar.

Maar mag een mens daar komen?
Vraag jij je af misschien.
Jazeker, beste lezer,
Jou heb ik daar gezien.

The Faerie Princess © Eddie Woods 1977, 2011
Translation © Hans Plomp 1994, 2004

For Eddie Woods’ original text (in English), as well as to see all the accompanying Niels Hamel illustrations, click here

Categories

Archives